Het paardengebit

 

In zijn natuurlijke leefomgeving leeft het paard voornamelijk van stug gras en ander plantaardig voedsel dat door de snijtanden afgerukt wordt. Het gras in de weilanden is tegenwoordig veel zachter (vetter) en paarden staan in het algemeen veel meer op stal, waardoor hun snijtanden niet genoeg afslijten ten opzichte van de kiezen. Die snijtanden worden dus te lang. Dit heeft tot gevolg dat de kiezen achter in de mond niet meer in occlusie zijn en het voer niet goed vermalen kan worden. Niet goed vermalen voer is minder goed verteerbaar, het geen kolieken kan veroorzaken, maar ook het rendement van het voedsel is lager.

Harde granen van vroeger hebben plaats gemaakt voor uitgebalanceerde maar zachtere biks en het mooiste hooi, met als gevolg dat de kiezen dus ook hier onvoldoende kans krijgen om op natuurlijke wijze te slijten.

 

Vorm van de kaak

De onderkaak is smaller dan de bovenkaak. Het zachtere voedsel stimuleert lui eetgedrag en de beweging van de onderkaak ten opzichte van de bovenkaak wordt niet compleet uitgevoerd. Het gevolg hiervan is de vorming van scherpe glazuurranden die boven in het mondslijmvlies (wangen) en beneden in de tong snijden.

 

Het paard leeft niet meer in zijn natuurlijke habitat

Om het gebit in optimale conditie te houden moet een paard 16 a 18 uur per dag kunnen grazen. In de vrije natuur zorgt het graaspatroon voor een voedselstroom, die, gemengd met grote hoeveelheden speeksel, ervoor zorgt dat het als het ware een zelfreinigend systeem is.

Alle gebitselementen die zo’n optimale voedselverwerking belemmeren, hebben retentie oftewel het achterblijven van voedselresten als gevolg. Deze achterblijvende voedselresten kunnen net als bij mensen aanleiding zijn tot tandbederf en tandvleesontstekingen. Ook bij paarden kan dat leiden tot voortijdig verlies van een of meerdere gebitselementen.

 

Positie van het hoofd tijdens eten

Op het land eet en drinkt het paard van de grond, de onderkaak beweegt tijdens het eten niet alleen in een zijwaarts bewegingspatroon, maar ook van voren naar achteren. Tijdens het grazen schuift de onderkaak steeds naar voren (mede onder invloed van de zwaartekracht, waardoor de snijtanden in occlusie komen en tijdens het rondkijken en vermalen weer naar achter.

Deze combinaties van bewegingen zorgen voor regelmatige gebitsslijtage. De positie van de onderkaak is ook bij paarden afhankelijk van het hoofdhalsevenwicht. (Ook het menselijk gebit past niet goed op elkaar als het hoofd in de nek gelegd wordt of de kin op de borst)

Een voorbeeld waarom dit natuurlijke proces tegenwoordig gestoord wordt, is het aanbieden van hooi in hoge ruiven. Dit wordt gedaan met de beste bedoelingen in verband met hygiene, maar de natuurlijke hoofdhalshouding wordt erdoor verstoord en daarmee de positie van de onderkaak, hetgeen weer aanleiding kan zijn voor een stoornis van het slijtagepatroon.

 

 

Om bij de gebitsbehandeling aan te geven over welke kiezen of tanden het gaat is er een nummering voor de kiezen en tanden van een paard:

 

Het paardengebit is opgesplitst in 4 kwadranten:

 

     

 

Daarboven krijgt elke tand ook een nummer, beginnend bij de eerste snijtand van elk kwadrant:

 

    

 

 

Het paardengebit bestaat uit 24 kiezen(premolaren en molaren), 12 snijtanden, eventueel 4 wolfstanden, en 4 hengstentanden bij een hengst of ruin (uitzonderlijk ook voorkomend bij dominante merries).

 

• Premolaren: ook wel de melkkiezen genoemd, deze zijn al bij de geboorte aanwezig, 3 in elk kwadrant. Deze wisselen van voor naar achter op 2,5; 3; en 3,5 jarige leeftijd naar de blijvende kies.

 

• Molaren: Dit zijn de blijvende kiezen, die vanaf de leeftijd van 1 jaar, één voor één doorkomen achter de melkkiezen. Deze kiezen blijven tot hun achtste levensjaar groeien en gedurende hun hele leven uitschuiven.

 

• Snijtanden: Ook hier krijgt het veulen eerst melksnijtanden en daarna de blijvende snijtanden. 6 snijtanden boven en onder.

 

• Hengstentanden: deze tanden komen voor bij hengsten of ruinen en uitzonderlijk ook bij dominante merries, deze komen pas tot ontwikkeling rond hun 4e a 5e levensjaar.

 

• Wolfstanden: Dit is een kleine tand die direct voor de eerste kies zit, deze komen niet bij alle paarden voor. Het is een tand zonder functie, maar kan wel voor problemen zorgen tijdens het rijden omdat het bit tegen de tand aandrukt. Deze tandjes komen uit vanaf de leeftijd van 6 maanden, deze tanden kunnen ook blind zijn (onder het tandvlees).